Rome wordt een wereldcentrum. Augustus werkt het urbanisatieplan van Caesar verder uit, maar beperkt zich ook tot de binnenstad. Veel tempels die tijdens de burgeroorlogen waren beschadigd, worden hersteld. Voor de nieuwe gebouwen wordt voortaan veel marmer gebruikt. Augustus krijgt veel hulp van zijn rijke schoonzoon Agrippa, die o.m. de eerste openbare badinstelling bouwt, de Thermen van Agrippa, op het Marsveld.
De stad wordt administratief ingedeeld in 14 districten (regiones), onderverdeeld in vier kwartieren (vici). Deze indeling blijft bestaan tot het einde van het keizerrijk. In zijn 'Leven van Augustus' schrijft Suetonius dat de Princeps er zich mag op beroepen "een marmeren stad na te laten, waar waar hij er een van bakstenen had geërfd".
Tiberius, Caligula, Claudius, Nero (14-68)
De belangrijkste gebeurtenis in deze periode is de grote brand van Rome in juli 64, onder de regering van Nero. De vuurzee ontstaat bij het Circus Maximus en vernielt 3 districten volledig en 7 gedeeltelijk. De wederopbouw is voor Nero de gelegenheid om de stadsvernieuwing grondig aan te pakken. Tacitus beschrijft ons zijn plan regelmatige en brede straten met zuilengalerijen, beperkte bouwhoogte en gebruik van onbrandbare materialen. Doch de historisch gegroeide aanleg van de stad maakt de uitvoering bijna onmogelijk, zodat slechts het stadscentrum en de uitvalswegen worden herwerkt. De volksbuurten behouden hun ingewikkelde structuur met alle gevaren vandien.
Vespasianus, Titus, Domitianus (69-96)
De Flaviërs hebben hun naam vereeuwigd door het indrukwekkendste bouwwerk van Rome, het Amphitheatrum Flavium, later het Colosseum genoemd. Domitianus bouwt de grote keizerlijke paleizen op de Palatinus.
Nerva, Trajanus, Hadrianus, Antoninus Pius, Marcus Aurelius, Commodus (96-192)
Van deze dynastie zijn Trajanus en Hadrianus de voornaamste bouwheren. Het Forum van Traianus wordt het laatste maar ook het grootste van de keizerlijke fora. De gebouwen van Hadrianus munten uit door hun spectaculaire afmetingen en gedurfde techniek, zoals de Villa Hadriana te Tibur (Tivoli) en het Pantheon op het Marsveld.
Septimius Severus, Caracalla, periode van regeringsloosheid, Aurelianus (193-284)
Septimius Severus laat tegen de muur van het Forum van de Vrede een marmeren stadsplan aanbrengen. Dit wordt het symbool van het hoogtepunt in de uitbouw van Rome. Weldra immers zal de politieke en economische crisis een rem zetten op de verdere groei. Aurelianus begint in 271 de bouw van de grote vestingmuur rond de 14 stadsdistricten, om Rome te beveiligen tegen het gevaar van de Germaanse invallen. Teken van de militaire aftakeling van het eens zo machtige Rijk
Diocletianus richt het dominaat in, de alleenheerschappij naar oosters voorbeeld.
Het keizerlijk hof schittert door praal en pracht. Om het Rijk beter te verdedigen
tegen de aanstormende barbaren, verdeelt hij het in vier delen met elk een eigen
hoofdstad (tetrarchie). Zo is Rome de hoofdstad van het Rijk niet meer. Toch
wordt er nog gebouwd, o.m. de Thermen van Diocletianus, de grootste van de stad
(oorspronkelijk 376x361 m.)
De vorm van de huidige Piazza della Repubblica
verwijst nog altijd naar de exedra van de thermen. Na de exedra kwamen caldarium,
tepidarium en "basilica" (centrale ruimte), door Michelangelo in 1563-66
omgevormd tot de kerk van S. Maria degli Angeli. De kerk (en termen) zijn vooral
bekend om hun grootse afmetingen, typisch voor de Romeinse keizerlijke architectuur
en voor de 8 kolossale monolitische zuilen in rood graniet (13,8 m.). Het toponiem
"Termini", dat vandaag het station aanduidt, verwijst nog altijd naar
het woordje "Thermen".
Constantijn de Grote, de eerste christelijke keizer,
is de laatste bouwheer van Rome. Wanneer hij zich in 330 te Byzantium gaat vestigen,
is Rome over het hoogtepunt heen. Voortaan blijft de bouwactiviteit beperkt
tot onderhoudswerken.
De invallende Germanen, de Wisi-Goten in 410 en de Vandalen in 455, zetten door
hun plundertochten de afbraak in.
Na de val van het Westromeinse rijk (476) Rome kent de illusie van een korte
wederopstanding ten tijde van de Ostro-Gotische koning Theoderik.
Daarna komt, in 536, de Byzantijnse veldheer Belisarius de stad veroveren en
inlijven in het Oostromeinse Rijk van keizer Justinianus.
De belegeringen tijdens deze verwarde periode hebben de aquaducten buiten werking
gesteld, zodat het leven binnen de stad steeds moeilijker wordt. Veel Romeinen
verlaten de stad. Zij die er blijven vestigen zich vooral aan de oever van de
Tiber of rond Lateranen op de Caelius, het verblijf van de paus, van wie alle
hulp in nood wordt verwacht.
De nutteloos geworden monumenten vervallen tot steengroeven.
Het rad van de tijd wentelt de sluier van de vergetelheid over de wereldstad.
Het Forum Romanum, centrum van duizend jaar wereldgeschiedenis, wordt opnieuw
een 'Campo vaccino' om het vee te weiden.
Tijdens het bestuur van Augustus schittert de 'gouden eeuw' door een ongemene
bloei van alle kunstvormen. Het verheven klassicisme met een verfijnde smaak
en beheerste lyriek schept veredeld werk, dat scherp contrasteert met de strenge
vormen van de republiek.
In de bouwkunst vinden de architecten een oplossing om de last van de grote
gewelven over verscheidene draagpunten te verdelen: door het laten kruisen van
twee tongewelven ontstaat het kruisgewelf. Het samenbrengen van de Ionische
spiralen en de Corinthische acantbladeren geeft het composietkapiteel, voor
het eerst aangewend in de triomfboog van Titus.
De beeldhouwkunst koppelt technische vaardigheid aan de Griekse zin voor poëzie
en evenwicht en komt zo tot een veredeld realisme.
De schilders zoeken eenzelfde verfijning en vinden dit in allerlei Egyptische
motieven en bloemstukken. Met hun 'Egyptische miniatuurstijl' trachten zij in
de salons een intieme sfeer te scheppen.
Vanaf de 2e eeuw verliest de kunst voortdurend aan artistieke bezieling.
De bouwkunst geeft door de grote afmetingen het intieme karakter prijs. De gebouwen
verbazen ons door hun overweldigende indruk en technische volmaakte uitvoering
(Colosseum!). De Romeinse architect is op de eerste plaats een ingenieur geworden
die reuzeprojecten moet uitvoeren (aquaducten, heirbanen, bruggen, circussen,
theaters, enz.). Toch is hij erin.geslaagd steeds het esthetisch aspect van
zijn werk te eerbiedigen.
De beeldhouwers blijven tot het einde toe het realisme in hun portretten en
historische reliëfs bewaren.