De oudchristelijke en Middeleeuwse basilieken

Voorbeelden van de eerste periode (4e - 6e eeuw)

Sint-Jan-van Lateranen (San Giovanni in Laterano)

 

Sint-Paulus-buiten-de-muren

Buiten de oude stad, langs de weg naar Ostia.

Keizer Constantijn bouwde een kleine gedachtenisbasiliek boven het graf van Sint-Paulus, gelegen aan de Via Ostiensis. De oudchristelijke basiliek werd ingehuldigd op 18 november 324, op dezelfde dag van de inwijding van de eerste Sint-Pietersbasiliek, ook door keizer Constantijn gebouwd, maar veel groter.

De kleine gedachtenisbasiliek werd vervangen door een grote, voltooid in 395. Na beschadiging door een aardbeving werd ze hersteld in 440-461. Later kwamen nog verscheidene veranderingen o.m. aan het dak, en bijgebouwen.

Het baldakijn werd gebeeldhouwd door Arnolfo di Cambio in 1285. Het is een parel van gotische kunst.

Tijdens de nacht van 15 op 16 juli 1823 vernielde een brand de basiliek bijna volledig. Ze werd herbouwd in neoklassicistische stijl en ingewijd in 1854.

Sedert paus Gregorius 2 (715 - 731) is de basiliek de kerk van een Benediktijnerabdij. Hildebrand, de latere paus Gregorius 7 was er monnik.


Santa Sabina, op de Aventijn

De basiliek werd gesticht in 422 - 432 op de plaats van een oudere bidplaats, waarschijnlijk ontstaan in het huis van een Romeinse edelvrouw, Sabina, die zich door haar Griekse slavin tot het christendom had bekeerd. Beiden werden door keizer Hadrianus ter dood veroordeeld.

De kerk is nu het eigendom van de dominicanen, gesticht door de H. Dominicus Guzman (1170-1221). Deze bad vaak op het graf van de H. Sabina, maar werd lastiggevallen door de duivel. Deze slingerde Diominicus een steen naar het hoofd, maar die miste doel. De steen wordt bewaard achteraan de kerk, links achteraan in de hoek, naast de kapel van de H. Dominicus.

Op het einde van de 16de eeuw werd de basiliek verbouwd in de stijl van die tijd. Tussen 1914 - 1919 en 1936 - 1938 werd de basiliek in de oorspronkelijke staat hersteld. De Santa Sabina is het beste voorbeeld van een Romeinse middeleeuwse basiliek van de eerste periode, waarin de Constantijnse basiliek herleeft (eerste helft 5de eeuw).


H. Maria-de-Meerdere, op de Esquilijn (S. Maria Maggiore)

 

Gesticht door paus Liberius (352 - 366) op de volgens een legende aangewezen plaats door Onze-Lieve-Vrouw (Maria-ter-Sneeuw)

De tegenwoordige basiliek werd opgericht door paus Sixtus 3, aanstonds na het Concilie van Efese (431) dat aan Maria de titel van Moeder Gods gaf.

Verscheidene aanpassingen in de loop van de tijden, maar de hoofdindruk blijft die van de middeleeuwse basiliek. Het trappenstel aan de achterkannt dateert uit de barok.

De Santa Maria Maggiore staat op een van de hoogten van de Esquilinus-heuvel, de monte Cispio. Met de Sint-Paulus-buiten-de-Muren is ze het gebouw dat het best evoceert wat een oudromeinse profane basilica moet zijn geweest; want de grote oudchristelijke basilieken hebben de traditie van die profane basilicae voortgezet wat volume en aankleding betreft. Het waren er oorspronkelijk vier: naast de twee voornoemde ook nog Sint-Jan-in-Lateranen, maar die is van binnen totaal verbouwd, en de Sint-Pieter, maar die is in de 16e e. door de huidige vervangen.

De Santa Maria Maggiore is gebouwd in de jaren 432 - 440, kreeg einde 13e e. een nieuwe apsis, een eeuw later een campanile, 75 m. hoog, de hoogste van Rome, in de 17e e. een machtige barokgevel aan de apsiskant, nog in de 17e e. een barokke dwarsbeuk, die brutaal de ritmische lijn van de zuilen van het middenschip doorbreekt, in de 18e e. een nieuwe voorgevel en in de 19e e. het pronkerige baldakijn boven het hoofdaltaar en kryptekapel (met hun zielloze luxe en vrome beelden).

Vanuit het middenschip kun je al wat waardevol is, goed zien:


Op het plein voor de kerk staat een zuil uit de basilica ven Maxentius op het forum, de enige die bewaard is, juist door die nieuwe functie die ze gekregen heeft. Op het plein achter de kerk een der twee obelisken die de ingang sierden van het Mausoleum van Augustus; de andere staat op het Quirinaalplein.


Sint - Petrus - Banden, op de Esquilijn (S. Pietro in vincoli)

 

De kerk van San Pietro in Vincoli of Sint-Pieters-Banden is gebouwd in de 5e e. om er de toen in Jeruzalem teruggevonden boeien van Petrus te bewaren. De ketens in het reliekschrijn zijn zeker oudromeins, maar of ze iets met Petrus te maken hebben, is een andere vraag. We gaan ook niet om die ketens te vereren, overigens eertijds een normaal pelgrimsgebruik, en evenmin om de kerk zelf, herbouwd in de 8e G., maar in de 18e e. aangekleed in de smaak van die tijd, zozeer dat het oude aspect (buiten de zuilen en de algemene lijn van de basilica) verdwenen is, maar om de Mozes van Michelangelo te zien die rechts vooraan staat opgesteld.

Deze Mozes was door Michelangelo bedoeld als de centrale figuur van een groep van 48 beelden die samen het overigens nooit voltooide grafmonument moesten vormen voor Julius II, de renaissancepaus (paus van 1503 tot 1513) die meer weg had van een veldheer dan van een bisschop. Behalve de Mozes bestaan er nog enkele half afgewerkte slaven, bewaard deels in het Louvre, deels in Florence. De beelden van Lia (met de spiegel) en Rachel, de twee vrouwen van Jakob, wellicht symbolen van de contemplatie, zijn mogelijks nog van Michelangelo zelf. De rest is werk van leerlingen.

Lees hier meer over Michelangelo

Het is moeilijk niet onder de indruk te komen van dit geweldige beeld, een baardige Titan, één spier en pees, klaar om op te springen, dreigend als een orkaan. Michelangelo heeft dat geweldige nog onderstreept door de kleding: die is bewust "barbaars"1, zo bijv. het schoeisel, dat hij heeft afgekeken van dat van de Daciërs op de zuil van Trajanus. Zoals Mozes toornt op zijn lamlendige volk, dat de vleespotten van Egypte, waar ze slaaf zijn, zo ongaarne verruilt voor de risico's van de door God aangeboden vrijheid, zo heeft Julius II geworsteld en getoornd, zegt dit beeld, om Italië te bewegen de knechtschap af te schudden en zich te bevrijden van Fransen, Spanjaarden, Oostenrijkers, en één volk te worden.

Met de Sixtijnse kapel is dit beeld het meesterwerk van de rijpe tijd van de kunstenaar, geboren in 1475 en toen 40 jaar.

Buiten de kerk gekomen ziet men rechts een boog en het begin van een trap die naar de Via Cavour afdaalt. Daar liep eertijds de de oudromeinse Vicus Sceleratus, het 'misdaad-straatje', zo genoemd omdat Tullia, de dochter van koning Servius Tullius, daar ijskoud over het lijk van haar vader zou zijn gereden, nadat hij op haar aanstoken door soldeniers van haar man omgebracht was. Op die manier bemachtigde deze laatste de troon. Die usurpator was Tarquinius, weldra bijgenaamd Superbus, de laatste koning van Rome. Beneden staat het middeleeuwse, vestingachtige huis met mooie 16e-eeuwse loggia, dat eertijds aan de Spaanse familie der Borgia's toebehoorde. De meest beruchte leden daarvan waren paus Alexander VI en diens afschuwelijke zoon Cesare Borgia; zijn dochter Lucrezia Borgia was beter dan de naam die ze gekregen heeft.

 


Voorbeelden van de tweede periode (7e 12e eeuw)

San Clemente

Basiliek van de tweede periode met Karolingische invloed.

Opgericht in 385 en toegewijd aan Sint-Clemens, medewerker van Sint-Paulus en vierde paus, op de plaats waar hij woonde of op die van een naamgenoot (meest waarschijnlijk).

Achter de hoofdingang ligt een 12e-eeuws atrium (het enige middeleeuwse kerk-atrium dat in Rome overgebleven heet te zijn), rustig en tot rust uitnodigend, door Ionische zuiltjes omlijst en met in het midden een waterbekken. De binnentredende gelovige werd erdoor aan de innerlijke stilte en zuiverheid herinnerd waarmee hij de basiliek betreden moest. De klokketoren uit 1600 en de voorgevel van Fontana uit de 18e e., die men van hier ziet, kan men het best vergeten.

In de 12e-eeuwse basiliek, die de oudromeinse basilica-vorm bewaard heeft vind je:

Maar de basiliek bergt nog een levensgrote verrassing: eronder ligt een nog veel oudere basiliek, opgetrokken in de 4e e. en ca. 1100 door de huidige vervangen, wellicht omdat ze zware schade geleden had toen de Normandiërs (eigenlijk nog Noormannen) van Robert Guiscard in die buurt in 1080 lelijk huis gehouden hadden. De oude basiliek werd toen afgebroken tot op de hoogte van de kapitelen, tussen de zuilen werden steunmuren gebouvd voor de zuilen van de nieuwe kerk, en omdat deze smaller moest vorden dan de 4e-eeuwse, werd onder de zuilen van de noordzijde zelfs een volle muur opgetrokken. Wat waardevol leek, werd toen naar de bovenkerk overgebracht en de benedenkerk verd met puin volgestort. Eerst in de vorige eeuw kwam ze veer aan het licht. Bij het opgraven ervan heeft men bakstenen pijlers moeten toevoegen om de vloer van het middenschip van de bovenkerk te ondersteunen.

Men bereikt de benedenbasiliek door de sacristie; de boog boven de deur is nog een overblijfsel van de benedenkerk. Beneden zijn zeer oude fresco's te zien (9e tot 11e e.), belangrijk voor de geschiedenis van de schilderkunst. Maar nog kostbaarder is de ruimte zelf, want hier is al onder het late keizerrijk en heel die moeilijke tijd van het eerste millenium lang door gelovigen gebeden, gewaakt, eucharistie gevierd, toevlucht gezocht; hun leven leeft hier nog na. De geloofstraditie die hier naleeft, gaat zelfs nog verder terug.

De 4e-eeuwse basiliek is nl. gebouwd op de buitenmuren (in opus quadratum, d.i. rechthoekige tufblokken) van een groot gebouw uit de 1e. n.C., waarvan men de binnenkoer en de kamers eromheen tot aan de eerste verdieping had opgevuld. Bij de apsis zie je een smalle gang, eigenlijk een oudromeins straatje tussen dat gebouw en één groot buurhuis in opus latericium (baksteenbouw). Waarschijnlijk heeft men hier de basiliek opgetrokken, omdat men al sinds lang de eucharistie in dat grote gebouv kwam vieren.

Het grote huurhuis of insula bergt op zijn beurt een verrassing: hier is nl. in de 3e e. een mithraeum of Mithrasheiligdom ingericht. Daarvan resten nog de pronaos of voorhal, de schola voor het onderricht en het triclinium of cultische eetplaats voor de religieuze maaltijden. Toen de christenen eind 4ee e. in het bezit kwamen van dat gebouw, konden ze een apsis toevoegen aan de basiliek, waarvoor ze in de pronaos de stutmuur bouwden die je er nu ziet.

In het triclinium verdienen aandacht: het gewelf dat het hemelgewelf voorstelt, o.a. met de afbeelding van sterren; omdat Mithras uit een rots geboren zou zijn (symbool van de zon, die uit de donkerte van het heelal te voorschijn komt) waren de mithraea gewoonlijk ondergronds aangelegd of in grotten of hadden ze de vorm van grotten of holen; verder de stenen aanligbedden voor de maaltijd, het beeld van Mithras, eigenlijk dat van de Stralende Zon, en tenslotte het altaar. Dat stond oorspronkelijk niet daar, wel in de pronaos. De afbeeldingen erop zijn beter te zien op het gipsen afgietsel dat staat bij de trap tussen beneden- en bovenkerk.

Je vindt er het centrale gebeuren van die mysteriecultus uitgebeeld: Mithras doodt de stier (symbool van vruchtbaarheid), en uit diens bloed komt leven te voorschijn: korenaren schieten op, maar slang en schorpioen, boze machten, proberen het te bemachtigen. De rol van de hond is niet duidelijk. Op de zijkanten twee fakkeldragers, de een met zijn fakkel omhoog, de ander met de fakkel neerwaarts, symbolen van respectievelijk het stijgen van de zon (21 dec. - 21 juni) en het dalen ervan (21 juni - 21 dec.). Op de hoeken de vier seizoenen, waarvan slechts twee kopjes overblijven.

Het mithracisme vertoonde veel gelijkenissen met het christendom: rituele maaltijden met brood en wijn, doop, catechumenaat met strenge eisen, geboortefeest van Mithras op 25 dec., enz... Maar het richtte zich hoofdzakelijk tot mannen, speciaal tot de soldaten, aan wie het onsterfelijkheid beloofde, minstens na dit leven, wat zijn verbreiding verklaart overal waar Romeinse troepen lagen. De strijd heidendom - christendom in de 4e e. was in hoofdzaak een strijd tussen de aantrekkingskracht van het mithracisme en die van het christendom. Dat de romeinse staatsgodsdienst geen aantrekking meer uitoefende, is duidelijk.


Santa Prassede

De Santa Prassede werd kort na 800 gebouwd door paus Paschalis I, helaas in de loop der eeuwen zo "gerestaureerd" dat het vroegchristelijke aspect ervan grotendeels verdwenen is. Ook het cosmatenwerk van de vloer is vernieuwd, maar naar het model van het oude.

Men bezoekt dit basiliekje om twee dingen:


Santa Maria In Cosmedin

Basiliek van de tweede periode, met Byzantijnse invloed. Opgericht in de 6e eeuw en uitgebreid in de 8ste eeuw.

Gegeven aan de Grieken, gevlucht uit Constantinopel tijdens de beeldenstrijd (cosmedin = versiering). Verscheidene aanpassingen, zonder de algemene indruk te schaden.

Tot vandaag de dag wordt in de basiliek de liturgie gevierd in de Griekse ritus.

 

 

 

 

 

 

Uw portaalsite over Italië: www.casa-in-italia.com (informatie en verhuur)