Sint-Pietersbasiliek

Geschiedenis: Renaissance

Constantijn de Grote liet de eerste Vaticaanse basiliek bouwen op de plaats waar volgens de overlevering het graf van Petrus moest liggen. De bouw van de basiliek (met een middenschip en vier zijbeuken) begon in 324 en werd in 349 voltooid. Voor deze kerk stond een quadriporticus, waarvan het interieur met waardevolle mozaïeken, fresco's en belangrijke monumenten was verfraaid.

Omstreeks het begin van de 15 de eeuw bevond dit gebouw zich in een ontstellend bouwvallige toestand. Paus Nicolaas V (1447-1455) gaf Bernardo Rossellino opdracht tot nieuwbouw (1542). Na zijn dood werd dit plan begraven, zodat de uitvoering van het ontwerp van Rossellino beperkt bleef tot de "Wachttoren van Nicolaas V", de noordelijke vleugel van het complex en de "Papagaaienhof" , alsmede de noodzakelijkste restauraties van delen van het Apostelgraf.

Pas onder paus Julius II begon de eigenlijke nieuwbouw van de St. Pieterskerk : hij droeg Donato Bramante op het project voor te bereiden, zoals dank zij een tekening van Antonio da Sangallo en een medaillon van Caradosso bekend is geworden. Het ontwerp kwam tegemoet aan het klassieke ideaal der symmetrie : een centraalbouw met een koepel in het midden en vier kleinere koepels op de delen van de plattegrond in de vorm van een Grieks kruis. Bramante moest daarbij de oude, constantijnse volledig afbreken. Hij kreeg nogal vlug de bijnaam "il maestro rovinante". De megalomane paus Julius II had Michelangelo van Firenze geroepen om zijn grafmonument te maken. Michelangelo had zelf liever de bouwopdracht gekregen. Hij was enorm jaloers op Bramante. Het grafmonument van Julius II zal nooit voltooid worden. Het enige echt afgewerkte beeld is de Mozes, te bewonderen in de S. Pietro in vincoli te Rome.

Op 17 april 1506 daalde Julius II met een gevolg van kardinalen en andere prelaten af naar de uitgegraven fundamenten van de steunpilaar Veronica om de eerste steen uit te leggen. Hij wilde de restitutio van het bouwwerk in het Vaticaan bezegelen met een plechtige liturgieviering, zoals in de bul te lezen staat : “vetustate et situ squalentem".

Ooggetuige De Conti beweert dat het ontwerp met zijn schoonheid en volmaakte proporties ieder monument uit de Oudheid begint te overstralen. Boven de basiliek zal zich een grotere en hogere koepel dan die van het Pantheon verheffen. Pas kortgeleden kon worden achterhaald dat Bramante de vier steunpilaren heeft opgericht om het immense gewicht van de koepel te ondersteunen. Hij bepaalde het lot van het gigantische bouwwerk definitief door de grote steunbogen tussen de vier grote pilaren met elkaar te verbinden en daardoor de buitenmuren te verwoesten.

Na de dood van Bramante in 1514 ontstaat er een "triumviraat" van bouwmeesters, Guiliano da Sangallo, fra Giocondo da Verona en Raffaello, die de leiding kreeg, dat een nieuw bouwplan ontwerpt, te herkennen in het ontwerp dat is afgebeeld in de fresco’s van de Chiaroscuri-zaal in het Vaticaans Museum. Het nieuwe project veranderde het ontwerp van Bramante ingrijpend, want het hoofdschip werd erdoor verlengd. We kregen dus een Latijns kruis.

In 1520 kwam Raffaello echter te overlijden (zijn beide collega's waren al eerder gestorven). Zijn opvolgers Antonio de Sangallo en Baldassare Peruzzi lieten het reeds gebouwde deel weer grotendeels afbreken. Na Peruzzi's dood (welk aandeel hij heeft geleverd, is moeilijk te bepalen) nam Antonio da Sangallo (1538) de leiding over. Pas na ingrijpen van Paulus III vervaardigde hij een houten maquette, thans in het Octagoon van de H. Gregorius. Eind 1539 werd begonnen aan de fundamenten van de apsis, waarbij de resten van de oude basiliek vanaf de dwarsbeuk werden gesloopt. De "oude" en de "nieuwe" St. Pieter werden door een muur tussen de elfde en twaalfde pilaar in het hoofdschip van elkaar gescheiden. In 1981 is deze muur opgegraven.

Na lang aarzelen nam Michelangelo de leiding van het werk op zich : ‘nullo premio, nullave mercede" , staat in de opdracht van Paulus III te lezen. Michelangelo, die bij andere opdrachten een hebzuchtige kunstenaar was gebleken, zal het werk voltooien, zonder vergoeding, voor zijn zieleheil. Michelangelo eiste carte blanche waar het de zeggenschap over alles en iedereen betrof. Hij greep terug op het ontwerp van Bramante en verstrakte, zo licht zijn biograaf Vasari trefzeker toe, de vormgeving van de St. Pieter, waardoor het gehele bouwwerk werd verhoogd. Hij liet alles wat Sangallo had gebouwd ontmantelen, zowel de immense buitenmuren als de versterking van de vier grote pijlers. De toestemming van Paulus III bleek van doorslaggevend belang te zijn voor de voornemens van Michelangelo, want de medewerkers namen tegenover de meester een vijandige houding aan. Zij vreesden namelijk - en niet zonder reden - een schandaal vanwege de enorme verspilling van kapitaal die al deze bouw- en sloopactiviteiten met zich meebrachten. Paulus III nam Michelangelo in bescherming en stelde zich in een door hemzelf ondertekend document vierkant achter Michelangelo op. Nu kon de kunstenaar zijn plannen ondanks alle door hem nodig geachte ontmantelingen doorvoeren. Op 11 oktober 1549 werd hij definitief tot leidend bouwmeester benoemd.

Na zijn dood (1564) moest het heerszuchtige karakter van Sixtus V eraan te pas komen om de oplossing voor de koepwelving te geven. Dit werk was door Pirro Ligorio, Jacopo Barozzi en Giacomo Della Porta tot in het oneindige op de lange baan geschoven. Tijdens een bespreking op 21 januari 1587 viel echter het besluit dat de koepel, te beginnen bij de door Michelangelo onvoltooid achtergelaten tamboer, af te bouwen. Zeshonderd werklieden werkten dag en nacht door aan de koepel, die in juni 1593 als voltooid kon worden beschouwd. Torrigiani en Faccalume lieten op de lantaarn hun bronzen kogels plaatsen.

Geschiedenis: Barok

Voor het totaalaanzicht van de basiliek is de door Paulus V aan Carlo Maderno opgedragen verlenging van het Griekse tot het Latijnse kruis fataal geworden, naast de verhoging (4,14m extra) van de koepelwelving ten opzichte van Michelangelo’s model. De gevolgen bleken zowel op het statische als esthetische vlak ernstig te zijn, omdat het gewicht daardoor niet op de vier steunpijlers, maar op de tamboer kwam te rusten. De 16 gewelfribben hadden nog slechts een esthetische functie, maar torsten niet hun deel van het totale gewicht, hetgeen tot aan het jaar 1931 schade heeft veroorzaakt die telkens werd gerepareerd.

Onder paus Paulus de V werd om twee redenen weer teruggegrepen op het langere Latijnse Kruis : de paus wilde meer ruimte creëren voor de gelovigen en ook moest de plaats waar de basiliek van Constantijn de Grote had gestaan volledig worden volgebouwd. Carlo Maderno voltooide de kerk, creëerde het middenschip met de drie kapellen aan weerszijden, alsmede de huidige gevel.

In 1629 benoemde Urbanus VIII Bernini tot hoofdarchitect. Hij voerde de decoratie van het interieur uit en creëerde het plein voor de Pieterskerk (1656-1667) : 240 m brede ellips omgeven door een colonnade van pilaren.

De huidige basiliek

Vóór de vernieuwing van het stratenplan door Borghi (1931) was het St. Pietersplein alleen via een wirwar van vochtige, donkere stegen te bereiken, die allemaal uitkwamen op het tamelijk kleine Rusticucci-plein. Na deze vernieuwing toonde het bouwkundige wonder van Bramante, Michelangelo en Bernini zich plotseling in zijn volle luister aan het verbaasde publiek.

 

Een brede trap leidt naar het grote bouwwerk (114 x 45m) dat Maderno in het jaar 1614 voltooide. Aan weerszijden van de trap werden de standbeelden van Petrus en Paulus opgesteld (1847), de apostel met de sleutels en de apostel met het zwaard. Het eerste is een schepping van Giuseppe De Fabri, het tweede werd door Adamo Tadolini gecreëerd.

Kunstwerken in de porticus

Via de trap bereiken we de porticus (71 x 13,50 x 20m), die door Maderno werd gebouwd.

Links staat het ruiterbeeld van Karel de Grote, die in de kerstnacht van het jaar 800 door paus Leo III tot keizer werd gekroond.

Rechts het ruiterbeeld van Constantijn de Grote, stichter van de oude basiliek, de keizer die met zijn beroemde edict van Milaan (313) als eerste de christenen geloofsvrijheid schonk. Hij wordt tevens als grondlegger van de sacrale christelijke bouwkunst beschouwd. Hij bevorderde de bouw van verschillende kerken, waartoe ook de eerste St. Pieterskerk behoorde.

Dit ruiterbeeld wordt door de bijna impressionistische zeggingskracht ervan tot de meesterwerken van Bernini’s beeldhouwkunst gerekend. Bernini beeldde hem uit op een nerveuze volbloed, voor een gordijn dat met gouddraad doorweven damast voorstelt en in weelderige plooien afhangt. Hoewel hij dit werk pas op hoge leeftijd schiep, geven de indringende, bijzondere kenmerken van Bernini’s kunstenaarschap - het zoeken naar beweging, de expressieve compositie, de verfijnde kleurnuances - deze schepping een bijzonder levendig karakter.

Vijf portalen geven vanuit de Portiek toegang tot de basiliek. De portaal van het hoofdschip heeft de bronzen deurvleugels van de oude basiliek behouden.

Het portaal van Filarete, tegenover het mozaïek van de Navicella (van Giotto), is een andere herinnering aan de oude basiliek. De bronzen vleugeldeuren zijn onderverdeeld in zes taferelen, van elkaar gescheiden door rechte banden. Ze beelden episoden uit het pontificaat van Eugenius II (824-827) uit en zijn gevat in een brede rankenlijst. In andere taferelen zijn de Maagd Maria en Christus op de Rechterstoel te herkennen, alsmede scènes uit het leven van de apostelen Petrus en Paulus. Een bekend tafereel is dat van de Kruisiging van Sint-Petrus.

Boven de deur een reliëf van Bernini of een van diens leerlingen : Jezus die de gelovigen aan Petrus toevertrouwt. Hij ontwierp ook de grote allegorische stuccofiguren in de booghoeken, alsmede de marmeren bekleding van de binnenzijde der steunberen, met medaillons van heiligen en pausen, steeds omlijst door twee engelfiguurtjes en duiven met een olijftak. Hij creëerde ook de nissen tussen de lisenen in het hoofdschip en in de armen van de dwarsbeuk. In deze nissen zijn beelden van ordestichters opgesteld, beelden die in de 18de en 19de eeuw door verschillende kunstenaars zijn opgemaakt.

Links naast dit portaal zien we het Dodenportaal van Giacomo Manzù ; de naam is afgeleid van de erop afgebeelde scènes over het sterven van de mens.

Interieur

Het hoofdschip van de St. Pietersbasiliek is 46m lang en 27m breed en werd door Carlo Maderno gebouwd naar het kerkmodel van de Contrareformatie. Hij voegde 2 traveeën toe. Boven de immense pilaren bevindt zich slechts één opbouw, met Korintische lisenen ; eronder bevinden zich de bogen die toegang geven tot de zijbeuken en de verschillende kapellen (drie aan weerszijden). Boven de steunberen ligt een balkvormige structuur waarop zich het cassettengewelf met zijn weelderige decoratie (uit het eind van de 18de eeuw) verheft. Aan het einde van het schip de vier steunpijlers van de koepel.

De decoratie van het kerkinterieur alsmede het ontwerp van het marmerinlegwerk in de vloer is van de hand van Bernini.

De koepel vormde de eigenlijke twistappel in de bouwprocedure van de kerk. Het bouwplan van Bramante was gebaseerd op een centrische opbouw die weliswaar groter was, maar in verhouding stond tot de koepels boven de zijbeuken, maar Michelangelo verstopte de resten van de kleinere bouwelementen in de buitenmuur en voorkwam daardoor dat de bestaande symmetrie van het inwendige reeds aan de buitenzijde zichtbaar was. Hiermee verleende hij aan de koepel een absolute waarde als een element ‘uit een onafhankelijke, geïsoleerd staande muurmassa" die heel de rest van het bouwwerk domineert.

 

De vier steunpijlers voor de koepel. Ook het bouwplan van Bramante voorzag al in deze steunpijlers, maar ze werden pas door Michelangelo gebouwd en later door Bernini kundig verfraaid. Bernini liet aan de basis grote nissen uithakken waarin thans enorme beelden (5m hoog) staan opgesteld.
Het voorbeeld van de decoratie van de oude basiliek alsmede het verlangen om basilieken te verfraaien met onvergankelijke kunst, leidde tot het besluit ook de schilderwerken uit te voeren in mozaïek, omdat de kleuren ervan hun helderheid en glans behouden. In de St. Pieterskerk is het mozaïek daardoor een van de karakteristieke decoratie-elementen.
De vier evangelisten, met hun symbolen, in de booghoeken onder de koepel.

  • Links : Lucas en Johannes naar tekeningen van Giovanni de' Vecchi.
  • Rechts : Matteüs en Marcus naar een ontwerp van Cesare Nebbia.

In het midden is Mattheüs nog eens afgebeeld, namelijk in de omlijstende stucco-decoratie. Boven deze afbeeldingen ligt een immense balkvormige structuur, afgewerkt met een fries. Hierop staan de woorden te lezen die Christus sprak toen hij Zijn Kerk stichtte : ‘Ik zeg u dat gij Petrus zijt, en op deze steen zal Ik Mijn gemeente bouwen. Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen, en wat gij op aarde zult binden, zal gebonden zijn in de hemelen" .

 

In de nissen van de steupijlers:

  • de H. Longinus (van Bernini ; 1630-1639) (foto)
  • de H. Helena (van Andrea Bolgi ; 1630-1639) (foto)
  • de H. Andreas (van François Duquesnoy ; 1629-1640)
  • de H. Veronica (van Francesco Mochi 1629-1632)

 

Boven de nissen bracht Bernini vier balkons aan waarin de voornaamste relikwieën van de kerk worden getoond. De balkons zijn verfraaid met acht pilaren die nog uit de oude basiliek stammen ; hun vorm stemt overeen met die van de Heilige Pilaar (de pilaar van de Tempel van Salomo waartegen Jezus zou hebben geleund) die in de schatkamer van de St. Pieter wordt bewaard en tevens model stond voor de zuilen van Bernini’s Baldakijn.

 

De H. Stoel van Petrus (cathedra) in het midden van de absis. Dit grootse werk, een triomf van de barokke fantasie, werd tussen 1656 en 1665 tijdens het pontificaat van Alexander VII geschapen en bestaat uit een kostbare marmeren sokkel waarop vier bronzen (vergulde) figuren de zetel van de apostel dragen. De twee figuren voor de Stoel stellen de kerkvaders van Latijnse kerk, Ambrosius en Augustinus (detail) voor. De twee figuren achter de Stoel zijn de kerkvaders van de Griekse Kerk, Athanasius en Johannes Christostomos.
Vroeger werd gedacht dat de echte stoel van Petrus in Bernini’s schepping was opgenomen, maar het blijkt een meubelstuk met ivoorinlegwerk uit het vroege keizerrijk te zijn, vermoedelijk de curiezetel van een Romeinse senator. De H. Stoel wordt geflankeerd door twee engelen en boven dragen twee cherubijnen de Sleutels en de Tiara. Boven de Stoel het gouden Aureool met stralen en engelen in dichte wolken. Dit alles vormt een corona rondom een symbolische uitbeelding van de H. Geest in het hart van het stralende Licht.
Het baldakijn dient ook als doorkijk en omkadering voor de dieper gelegen cattedra , de bisschopszetel van Petrus, door Bernini opgevat als een stralend eindpunt van de basiliek. De cathedra Petri heeft als toneel het westeinde van de St. Pieter, die in tegenstelling tot de meeste kerken naar het westen is gericht. Dit werk is niet omlijst en het houdt zich niet aan de grens van de twee grote pilasters die tot Michelangelo's architectuur behoren.
Bernini combineert niet alleen de verschillende takken van kunst, hij maakt ook gebruik van de natuur. In beide gevallen wordt het licht, gefilterd door geel glas met als illusionistisch verlengstuk vergulde metalen stralen, tot onderdeel van het kunstwerk. (Hetzelfde treffen we aan in de H. Teresa van Avila) In de cathedra Petri stroomt het licht binnen door het middenvenster dat de beeltenis van de Heilige Geest draagt en het brandpunt van het ontwerp is. Rondom dit raam zweven engelen van verguld stucwerk op wolken en daaronder de prachtige troon die de reliek bevat - de oude houten stoel die Petrus zou hebben gebruikt- waaraan de cathedra haar naam ontleent. De geniale vondst van Bernini lag erin niet de oorspronkelijke relikwie te gebruiken, maar de stoel te omlijsten met een veel grotere zetel van verguld brons.
Geheel onderaan vindt men de vier kolossale bronzen figuren van de kerkvaders. De indruk die dit verbijsterende werk maakt wanneer men het ziet in de omlijsting van de reusachtige zuilen van het baldakijn als de ondergaande zon achter het venster schuilt, is een van de hoogste triomfen van de barok.

 

Het baldakijn van Bernini.
Hieraan begon de kunstenaar in opdracht van paus Urbanus VIII Barberini in 1624, en hij voltooide het werk in 1633. De bijen verwijzen naar diens familiewapen en ze vormen een decoratief verstrooid motief.
In de 16 e eeuw was de koepel van Michelangelo het natuurlijke centrum van de basiliek. Door de uitbreiding naar het basilicale type (Maderno) kan de koepel door de binnenkomende gelovige niet meer gezien worden. Men wilde dus met een nieuw kunstwerk de aandacht trekken op de tombe van Petrus en het pauselijk altaar.
Vier gedraaide zuilen, men wijnranken omkranst, dragen een soort open koepel. Op de vier hoeken jubelen engelen naar de vier windstreken de universaliteit uit van de katholieke leer. (triomfalisme van de barok)
De gedraaide zuilen zijn geïnspireerd op laatromeinse voorbeelden, afkomstig van de oude Constantijnse basiliek.
Het baldakijn staat boven het graf van Sint-Pieter, de eerste paus, en wijst met zijn spiraalvormige zuilen in de hoogte, naar de koepel van Michelangelo, die als het symbool van de hemel kan begrepen worden. De symboliek is duidelijk.
Het baldakijn is 29 hoog, maar het heeft niet die overweldigende indruk, omdat het aangepast is aan de buitenmenselijke verhoudingen van de basiliek. Met zijn donkere tint en zijn roterende vormen brengt het baldakijn een draaibeweging die opstijgt naar de koepel.
Het brons voor het baldakijn haalde Bernini uit het antieke Pantheon. Die vernieling liet de Romeinen zeggen: “Quod non barbari, fecerunt Barberini”, een zinspeling op de familienaam van paus Urbanus 8, de opdrachtgever.

 

Michelangelo was pas 25jaar oud toen hij in 1499 de Pietà schiep. Het is het enige werk van de grote kunstenaar uit Florence waarop hij zijn naam aanbracht. De beroemde sculptuur was oorspronkelijk voor de S. Petronellakerk in Rome bestemd en moest vermoedelijk het graf van de opdrachtgever, de kardinaal Jean de Bilhères, gezant van de Franse vorst Karel VIII aan het pauselijke hof, tooien. Het werd overgebracht naar de basiliek en verhuisde daar diverse keren voordat het definitief in de eerste kapel van de rechterzijbeuk werd opgesteld.

 

Het bronzen Petrusbeeld in het achterste deel van het hoofdschip, naast de eerste steunpijler. Men nam aan dat dit een sculptuur uit de 5de eeuw was, maar het beeld werd pas in de 13de eeuw gegoten, vermoedelijk door Arnolfo di Cambio.

 

De grote marmeren sculptuur De H. Leo ontmoet Attila (1646-1650) van Alessandro Algardi. Hier beeldt de kunstenaar de episode uit waarin de paus de vorst der Hunnen het idee uit het hoofd praatte om Rome te onderwerpen. Het altaar staat links van het priesterkoor achter de tweede steunpijler. Attila kijkt verschrikt naar op naar de apostelen Petrus en Paulus. Hij staat als het ware klaar om het kunstwerk te verlaten en in onze ruimte te stappen. Een mooi voorbeeld van het illusionisme van de barok.

 

Monument van Gregorius XIII, geschapen door Camillo Rusconi (18de eeuw), naar het voorbeeld van Algardi’s Monument voor Leo XI. De paus zit zegenend tussen Religie en Fortuna, het reliëf op de sarcofaag behandelt de hervorming van de Juliaanse kalender ; de draak op de sokkel komt van het familiewapen van de Buancampagni’s waartoe Gregorius XIII behoorde. Het monument staat in de derde boogpoort van de rechter zijbeuk. In nissen aan weerszijden van de Stoel bevinden zich de op deze bladzijden getoonde grafmonumenten.

 

Heel dicht bij het portaal van de dwarsbeuk staat het Monument van Alexander VII, een schepping uit Bernini’s ‘rijpe’ periode (1672-1678). Aan dit werk hebben assistenten meegewerkt. De compositie en het gelaat van de paus zijn van de kunstenaar zelf. Alexander VII is biddend uitgebeeld en knielt tussen Gerechtigheid, Vernuft, Barmhartigheid en waarheid (dit beeld was aanvankelijk naakt, maar werd door een geplooid kleed van metaal bedekt). Naast de paus wijst het skelet van de Dood naar de zandloper om aan te geven dat ook zijn uur heeft geslagen. De Dood roept hem onder ‘het eeuwige kleed" , een verrukkelijk geplooid gewaad dat een deel van de voet van het monument afdekt.

 

Het graf van Innocentius XII naar een ontwerp van Fuga ; het beeld van de paus, tussen Barmhartigheid en gerechtigheid, is een schepping van V. Valle (1746).


Ervoor staat het mausoleum van gravin Mathilde naar een ontwerp van Bernini ; het Mathilde-beeld zelf is van A. Bolgi.

S. Speranza schiep het reliëf met keizer Hendrik IV in Canossa (1635).

Het grafmonument van Paulus III (1551-1575), een schepping van Guglielmo della Porta, dat hij vermoedelijk naar een ontwerp van Michelangelo maakte. De beide marmeren sculpturen aan de voeten van de paus worden aan de meester toegeschreven. Het geheel vertoont vele overeenkomsten met het grafmonument in de Sagrestia Nuova te Firenze (Michelangelo). De figuren stellen het Vernuft en de Gerechtigheid voor en men meent de gelaatstrekken van zijn zuster Julia en de moeder van de paus te herkennen : de aanvankelijk naakte figuur werd later met een wit beschilderde metalen tuniek ‘gekleed’.

Het graf van Gregorius XVI (een nuchter werk in neoclassicistische stijl van Luigi Amici, 1854). De kapel werd bekroond met een koepel met mozaïeken die de biografie van de H. Maagd symbolisch weergeven. In de booghoeken de H. Gregorius (de Grote), Gregorius di Nazianze, Hieronymus en Basilius de Grote. De koepel is niet van buitenaf zichtbaar, omdat de attica zich ervoor verheft. De beide kleine koepels die de ‘grote’ koepel flankeren, sluiten niet aan op de inwendige structuren van de kapel.

In het portaal van de dwarsbeuk naar de linker zijbeuk staat het Monument van Leo XI (1642-1644), een kostelijke schepping van Algardi. Hij beeldde op de sarcofaag, de afzwering uit van Hendrik IV, de Franse koning, af, toen de toekomstige paus nog kardinaal en gezant van paus Clemens VIII in diens land was. Aan weerszijden van de sarcofaag Vernuft en Gerechtigheid (figuren van de assistenten van Algardi).

Graf van Innocentius XIII (1498), een schepping van Pollaiuolo. De paus zetelt op zijn troon

Monument van Clemens XIII, een schepping van Antonio Canova (18de eeuw), in een nis van de rechter zijbeuk, achter de tweede steunpijler van de koepel. Het monument omlijst het portaal van de Gedachteniskapel. De knielende pausfiguur domineert het geheel. Op de urn heeft Canova de figuren Barmhartigheid en Hoop uitgebeiteld ; naast de urn zette hij Religie en de Engel des doods. Twee leeuwen op de sokkel flankeren de ingang.

 

Het Monument van Urbanus VIII, een schepping van Bernini naar een compositieschema van Della Porta. Aan weerszijden van de sarcofaag Barmhartigheid en Gerechtigheid ; in de voluta van de urn zit de Dood, die de naam van de overledene inschrijft (1642-1647)

De Doopvont, gemaakt uit een oude sarcofaag, die nog uit de oude basiliek stamde en volgens de overlevering afkomstig was van het graf van Otto II. Het bronzen deksel werd geschapen naar een ontwerp van Carlo Fontana (1725). Achter de Doopvont is in een mozaïek van Carlo Maratta de ‘Doop van Jezus’ uitgebeeld ; ook dit origineel hangt nu in de Kerk van S. Maria degli Angeli. De muren van de Doopkapel zijn voorts verfraaid met mozaïeken van Passeri en Andrea Procaccini. De Doopkapel is zoals gebruikelijk de eerste kapel in de linker zijbeuk.

In het portaal naar de Doopkapel staat een van de beroemdste werken van Canova, het Monument van de Stuarts : een hoge stèle van wit marmer draagt in het midden een inscriptie over de laatste leden van het vorstengeslacht Stuart, wier halve busten boven de inscriptie zijn te zien : Jacobus III (in 1766 te Rome overleden) en zijn beide zoons Karel III en kardinaal Hendrik IX, hertog van York. Onderaan zijn naast een deur - een onmiskenbare verwijzing naar de doorgang naar een ander leven - twee engelfiguren met omgekeerde fakkels afgebeeld, als een symbool voor het verloren leven. Deze figuren zijn uitzonderlijke scheppingen van Canova, op grond van de volmaakte contouren, de teerheid van modellering en de gladde afwerking van de vorm, maar vooral door de welhaast doorschijnende oppervlakken, die ‘geopend zijn voor het licht’, aldus Camillo Semenzato. Zelfs de ademhaling van het lichaam komt tot uitdrukking. Het monument werd in opdracht van de Engelse regering gemaakt en Canova voltooide het in 1819.

 

Aan het eind van de rechter zijbeuk ligt de Sacramentenkapel, die afgesloten is met een smeedijzeren hek van Francesco Borromini en rijk is aan weelderige stucco-ornamentiek aan muren en plafond.

De Gregoriuskapel, zo genoemd omdat de kapel tijdens het pontificaat van Gregorius XIII werd gebouwd, ligt exact op het snijpunt. Het was de kapel van de St. Pieter die als eerste werd voltooid. Michelangelo leidde persoonlijk het grootste deel van het werk, dat in 1583 door Giacomo della Porta werd afgemaakt. Aan de rugzijde staat het met albast, amethisten en andere edelstenen getooide altaar. Vier verrukkelijke pilaren omlijsten een fresco uit de 12de eeuw dat nog uit de oude basiliek stamt en de Madonna van de Altijddurende Hulp voorstelt.

De mozaïekkopie van Raffaels ‘Hemelopname’ boven het altaar achter de eerste steunpijler links (het oorspronkelijke schilderij hangt in de pinakotheek van het Vaticaan). Het gebruik schilderstukken te vervangen door mozaïekkopieën kwam voort uit de wens naar meer monumentaliteit. Er werd zelfs in 1727 een Mozaïekschool gesticht mede doordat Alessio Mattioli het email-mozaïek had uitgevonden. Nu beschikte men over een reusachtige keuze aan kleurnuances en kon het schilderij tamelijk getrouw worden gekopieerd. Dit leidde echter ook tot volledige slaafsheid aan het geschilderde voorbeeld, waardoor het mozaïekwerk tot een zuiver ambachtelijke bezigheid degradeerde, zonder een vleugje van originaliteit. Talloze schilderijen werden vervangen : vermaarde werken van Domenichino, zoals ‘De communie van de H. Hieronymus’ en ‘De extase van de H. Franciscus ; van Guido Reni ‘De aartsengel Michael overwint Lucifer’ ; en van Guercino ‘De H. Petronella’. De originelen verhuisden naar andere kerken in Rome of de zalen van het Vaticaans Museum.

Sacristie

De Sacristie van de St. Pieter is een bouwwerk vol pracht en praal dat in opdracht van Pius IV tussen 1776 en 1784 door de architect Carlo Marchionni werd opgetrokken, los van het kerkgebouw zelf. Op deze plaats stond voorheen een oude kerk.De octagonale (achthoekige) sacristie is slechts een van de zalen in dit bouwwerk.

De Tabernakel van Donatello (1432) met het vanouds door het volk vereerde schilderij van de ‘Madonna della febbre’ in het midden.

De Sarcofaag van Junius Bassus, een Romeinse edelman en perfect van Rome die christen was geworden. De sarcofaag werd in 1595 in de buurt van de Confessio gevonden, tijdens de bouwwerkzaamheden voor de nieuwe St. Pieter. Hij staat nu in de Schatkamer en is een verrukkelijke marmeren sculptuur uit de 4de eeuw. Het geheel is onderverdeeld in tien taferelen in twee reliëfreeksen, met scènes uit het Oude en Nieuwe Testament.


Het grafmonument van Sixtus IV staat nu in een van de zalen van de Schatkamer. Vroeger stond het eerst in de Sacramentenkapel en later in de Vaticaanse Catacomben. Het is een bronzen schepping van Antonio del Pollaiuolo, die het voorzag van zijn naam en het jaartal 1493 (het is nog uit de oude basiliek afkomstig). De paus is liggend uitgebeeld en omlijst met taferelen waarin de kardinale deugden zijn vereeuwigd.
In het onderste deel een epigraaf en het wapen van de familie Della Rovere.
De zijden zijn onderverdeeld in acanthusblad-voluten : in dit reliëf zijn allegorische figuren afgebeeld, zoals Theologie, Filosofie, Muziek, Astronomie, Dialectiek, Retoriek, Grammatica, Geometrie en Perspectief. Sixtus IV was een humanistische paus die veel van kunst hield en een groot mecenas was.

In de ruimte tussen de Basiliek van Constantijn en de nieuwe St. Pieterskerk strekken zich de Vaticaanse Catacomben uit, die na hun renovatie worden omschreven als de Nieuwe en de Oude Catacomben.

De eerste zijn tussen 1534 en 1546 ontstaan en vormen een halve cirkel rondom de Petruskapel (links), die boven het graf van de apostel was gebouwd. Ze omsluiten ook het hele oppervlak van de erboven gelegen dwarsbeuk. De Oude Catacomben strekken zich uit onder het hoofdschip van de basiliek.

Exterieur

Een kijkje op de colonnade met de immense Dorische pilaren. Deze 284 zuilen zijn opgesteld in vier evenwijdige rijen en vormen twee halve cirkels die als de uitgestrekte armen van Christus de massa der gelovigen moeten omvangen.

 

Sint-Pietersplein, verzamelplaats voor alle volkeren.

Bernini zag het plein als de verzamelplaats van alle volkeren, omsloten door de armen van Christus. Zoals in de Sant'Andrea al Quirinale vat hij de ruimte op als een dwarsovaal. Hij bekomt die door aan een rechthoekig middenstuk twee halfcirkels te laten aanleunen.
Tussen dit ovalen plein en de basiliek ligt een kleiner tussenplein, dat verbreedt naar de voorgevel toe. Deze vorm heeft Bernini aan het Capitoolplein van Michelangelo ontleend.
Als barokmeester gebruikt Bernini alle effecten van de architectuur om dit plein beeldend te bewerken:

  • de gevel van de basiliek als achtergrond en blikvanger
  • de centraal geplaatste obelisk die de hoogte inwijst
  • het dartele waterspel van de fonteinen
  • de colonnade met zijn licht- en schaduweffect
  • de 140 beelden als een krans van heiligen (‘acterende beelden')

 

De gevel van Maderno : een harmonisch geheel van zuilen en korintische lisenen (verticale banden), met de hoofdingang, als centraal punt. Erboven bevindt zich de zegeningsloggia, van waaruit de paus zijn pauselijke zegen geeft. De façade wordt door een brede en lange band en een grote attica afgesloten ; op die manier zette Maderno het schema van Michelangelo voor de afwerking van de apsis voort.
Het enige verschil bestaat uit de balustrade met de kolossale beelden erboven. Het oorspronkelijke plan voorzag in twee klokkentorens, die inderdaad door Bernini zijn gebouwd. Ze moesten echter worden afgebroken, omdat ze door hun gewicht schade veroorzaakten. In hun plaats zijn thans twee uurwerken te zien, die in de 18de eeuw door Valadier werden toegevoegd.

 

 

 Keer terug naar de homepage Italiaanse kunst

Ga naar de homepage Umbria/Toscana

 Ga naar verhuur vakantiewoningen in UmbriŽ

 Ga naar verhuur vakantiewoningen in Toscane

Uw portaalsite over Italië: www.casa-in-italia.com (informatie en verhuur)