De oudchristelijke basiliek

A: middenbeuk; B: dwarsschip; C: apsis met altaar ; D: binnenste zijbeuk; E: buitenste zijbeuk; F: zuilengalerij voor de kerkdeuren; H: atrium; L: platform boven aan de kerk.

Vooraf: Het woord ‘basiliek’ stamt uit het Grieks: een ‘stoa basilikè’ was een koninklijke zuilengalerij, uit het Oosten afkomstig.
Bij de Romeinen is een basilica een overdekte zuilengalerij, die voor allerlei doeleinden werd gebruikt: rechtspraak, vergaderingen, zaken, markt.…en dus tot de burgerlijke bouwkunst behoort.

Na de godsdienstvrede (Edict van Milaan, 313 – pas op het einde van de 4e eeuw, onder Theodosius, wordt het christendom staatsgodsdienst) werden overal in het Romeinse rijk, maar vooral te Rome christelijke basilieken gebouwd. Als model wilde men niet de antieke tempel nemen, die te veel verbonden was met de cultus van de heidense goden. Men nam een burgerlijk gebouw, de basilica, tot uitgangspunt.
De bekendste vroegchristelijke basilieken zijn Sint-Jan van Lateranen, Sint-Paulus buiten de muren, Santa Maria Maggiore (H. Maria de Meerdere) en Sint-Pieter. Al deze kerken zijn in de loop der eeuwen zo grondig verbouwd en gerestaureerd, dat alleen Sint-Paulus nog het oorspronkelijke uitzicht van een constantijnse basiliek bezit.
De Santa Sabina, weliswaar uit de 5e eeuw, en de basilieken te Ravenna, uit de 6e eeuw, hebben wellicht nog het meest het vroegchristelijke aspect bewaard.

1. Beschrijving

De oude Sint-Pietersbasiliek werd in 326 ingewijd. In het begin van de 16e eeuw werd de constantijnse basiliek afgebroken (Bramante, il maestro rovinante) om door een nieuwbouw vervangen te worden (Bramante, Michelangelo, Maderno, Bernini), maar aan de hand van tekeningen en geschriften kan men de vroegere kerk betrouwbaar reconstrueren.
De kerk was ongeveer 120m. lang en 64 m. breed, maar het totale complex met inbegrip van de voorhof (het atrium), mat bijna 220 m. en was dus nog groter dan de huidige Sint-Pieter (211,5 m.). Een brede trap leidde door een portaalgebouw naar een open, door zuilengalerijen omgeven binnenhof (het atrium), met de reinigingsbron in het midden. Hier trok de voorgevel de blik, wanneer de eerste zonnestralen op wonderbaarlijke wijze het licht weerkaatsten, zoals de pelgrims het geestdriftig beschreven. Van het atrium kwam men in het vijfbeukige schip.
In de oudchristelijke kerken verdeelt men het gebouw, omwille van zijn aanzienlijke breedte en het ontbreken van voldoende lange boomstammen voor de dakbalken met behulp van zuilenrijen in een oneven aantal beuken (3, 5, zelfs 7 of 9!).
Er waren economische redenen om het houten dak te verkiezen boven de gewelfbouw in steen, die de Romeinen van de Etrusken hadden geleerd: hout is een goedkoop materiaal. Bovendien is de plaatsing ervan technisch gemakkelijk. Er zijn ook esthetische redenen: door de geringe en louter verticale druk die het houten dak op de muren uitoefent laat het grotere vensters toe (belang van de lichtsymboliek in de vroegchristelijke kerk) en een minder zware constructie. We mogen bovendien niet vergeten dat in het begin van de 4e eeuw voor de enorme bouwopdracht toen (overal in het rijk werden kerken opgericht) alle krachten moesten worden ingezet. Men koos dus een eenvoudig bouwsysteem en niet meer de Romeinse betongewelfbouw, die veel tijd en materialen opslorpte.
Het systeem had echter ook grote nadelen. Vooreerst was er het grote brandgevaar. Bovendien moest de breedte van de hoofdbeuk beperkt blijven tot de lengte van de hoogste bomen in de streek (zelden langer dan 15 m.). Onder deze dakbalken vond men meestal een vlakke zoldering, verdeeld in vierkante vakken of cassetten.
De vensters lagen in het gedeelte van de muren van het middenschip dat boven de zijbeuken uitstak, en in de gevel van de ingang. Daardoor was de oudchristelijke basiliek met licht overgoten. Deze kerk verschilt dan ook grondig van de cella van de heidense tempels die geen liturgische ruimten waren, maar alleen bewaarplaatsen van de godenbeelden, en die dan ook in een bijna volledige duisternis gedompeld waren.
Tussen apsis en schip was er het dwarsschip (transept). Tussen schip en transept vond men een triomfboog. Het enige altaar van de hele kerk stond voor de apsis, boven het graf van de H. Petrus. In het midden van de apsis bevond zich op een verhoging de bisschopstroon (de cathedra), daarnaast stonden in een halve cirkel de zetels van de geestelijkheid. (In de Romaanse kunst zal zich hieruit het koor ontwikkelen.) Triomfboog en apsis waren met mozaïeken, de wanden van het middenschip met fresco´s versierd.

2. Diepere betekenis

ln de geest moet men mét de pelgrims na een lange uitputtende reis voor de poorten van de St.-Pietersbasiliek aankomen, en ervaren hoe zij ernaar verlangden het graf van de koning der apostelen te zien.
Bij het aanschouwen van de trappen ondergaan zij de 'verhevenheid' (in de materiële en symbolische betekenis) van de kerk boven de wereldlijke gebouwen. Zij snellen niet de trappen op, maar schuiven er eerbiedwaardig met hun knieën tegenop; langzaam stijgen zij omhoog.
Poorten en muren van het atrium begrenzen een plaats van samenkomst en voorbereiding. De gelovige maakt zich van het uiterlijke los en begint de weg naar binnen. AIs nu aan de machtige gevel het mozaïek in de ochtendzon zijn licht uitstraalde, was de glans ervan een aanduiding dat de biddende pelgrims nu de stad Gods, die het heilige licht ontvangt, voor ogen hadden.
Het interieur van de kerk wil immers niets anders zijn dan een povere gelijkenis van het door Johannes in de Openbaring (4, 1-11) aanschouwde hemelpaleis met troonzaal. Slechts daarom, en niet om uiterlijk vertoon, dienden de pracht en heerlijkheid van het interieur: de zuilen (veelal uit heidense tempels gehaald, de schilderingen, de mozaïeken...
Bij het naderen van het transept viel de gelovige de gelijkenis op met de troonzaal van de wereldse keizer. Het transept is dus de troonzaal van de hemelse Keizer, de Pantokrator (hij die over alles heerst). In die troonzaal vindt men ook zijn hemelse hofhouding: de priesters. De Pantokrator verschijnt in de apsis, die door zijn halfronde vorm een symbool is van de kosmos. Zijn plaatsvervanger zetelt er op de bisschopsstoel; zijn priester, met het gelaat naar het westen en dus naar de gelovige gemeente gekeerd, roept Hem op lichamelijke wijze op door de woorden die de eucharistische elementen, brood en wijn, veranderen op het altaar
In het schip zijn de gelovigen tot een eenheid versmoIten, zoals ook de zuilen der vijf beuken zich aaneensluiten en op het altaar gericht zijn. (In de oudchristelijke basiliek is alles op het altaar gericht.)
Pas wanneer men het kerkgebouw zo ziet, openbaart het zich als het huis van God; pas dan blijkt dat het het karakter van een weg heeft: vanuit de wereld tot God, vanuit de profane stad naar de op de trappen 'verheven' gelegen kerk, van buiten naar binnen, maar ook vanuit de hemel (apsis) naar de aarde (schip), van God naar de gelovige.
Het mozaïek van de voorgevel is voor hem een 'teken'; de beuken 'wachten' op de gelovige gemeente, het transept op de geestelijkheid als de hofhouding van de hemelse Keizer, de altaartafel op de gaven van brood en wijn.
In de zijbeuken heerst schemering, omdat zij de aarde nabij zijn. In de hoogste rij vensters van het middenschip straalt helder licht, omdat deze sfeer de hemel aanduidt; immers, de Kerk dient niet alleen te worden opgevat als verheven boven de aarde, maar ook als vanuit de hemel neergedaald.

 Keer terug naar de homepage Italiaanse kunst

Ga naar de homepage Umbria/Toscana

 Ga naar verhuur vakantiewoningen in UmbriŽ

 Ga naar verhuur vakantiewoningen in Toscane

Uw portaalsite over Italië: www.casa-in-italia.com (informatie en verhuur)