Mozart Don Giovanni

Ouverture

De opera ging in première in Wenen in het jaar 1786, dit wil zeggen drie jaren vóór de Franse Revolutie. Laten we het werk eens vanuit dit standpunt benaderen. De 18e eeuw is de eeuw van de Aufklärung, de Verlichting en het rationalisme. Dit weerspiegelt zich in de Zauberflöte, waar Mozart en zijn librettist Schikaneder hun optimistische geloof in een toekomst die door de ratio, door de rede wordt beheerst, vertolken.
De 18e eeuw is echter ook de tijd van het rococo, een speelse, luchtige stijl, die soms wat oppervlakkig is of lijkt. Het rococo is een stijl die kunst produceerde voor de adel. De fêtes champêtres van Watteau zijn bijeenkomsten van de adel in de tuin van hertog X of baron Y. De koppeltjes ontspannen zich in een natuurlijke omgeving: een preromantische instelling. Hetzelfde vinden we in de lichtjes erotische taferelen van Fragonard of Boucher. Het overspel viert hoogtij: een man kiest liefst een vrouw uit die zijn vrouw niet is. Als de koning, van Lodewijk XIV tot XVI, het mag, als hij niet alleen een officieel erkende maîtresse heeft -  we denken aan Madame de Pompadour - , maar ook nog vele andere slippertjes mag maken, waarom zou de adel dit niet navolgen? Aan deze decadente moraal en kunst zal de Franse Revolutie brutaal een einde stellen. Tegenover de wufte moraal van het rococo zal de revolutionaire ethiek van de Franse Revolutie nieuwe, hogere waarden promoten: geen verliefdheid en egoïsme maar vaderlandsliefde, opoffering, revolutionaire inzet. In de beeldende kunst wordt dit het duidelijkst vertegenwoordigd door het classicisme van David.

Eerste Act: Beaumarchais

Beaumarchais' Figarostukken zijn Le Barbier de Séville, Le Mariage de Figaro, en La Mère coupable.
In het eerste stuk, Le Barbier de Séville, ou la Précaution inutile zijn Figaro en graaf Almaviva bondgenoten. Het is hun bedoeling om Rosina te bevrijden van het juk van haar jaloerse voogd en voor de graaf te winnen. Het meisje is echter van gewone komaf. Dat een man van adel aanpapte met een gewoon meisje en haar tot zijn vrouw wilde maken, was volgens de sociale normen van de 18e eeuw niet vanzelfsprekend. Dit kunnen we beschouwen als een eerste barst in de maatschappelijke orde van het Ancien Régime.
Le Barbier van Beaumarchais kende zijn première in 1775. Het werk werd op muziek gezet door Rossini en Paisiello.
In Le Mariage de Figaro ou la folle journée, geschreven in 1778, maar slechts in 1784 voor het eerst opgevoerd (hierover later) zijn de graaf en Figaro plots vijanden geworden, wat een voorafspiegeling is van het revolutionaire conflict tussen adel en gewone man, dat in 1789 tot uitbarsting kwam. Figaro en de graaf streven beiden naar de gunsten van Susanna. Want de graaf is weliswaar getrouwd met Rosina, nu la comtesse, maar hij is in onvervalste rococo-stijl op zoek naar avontuurtjes.
Het toneelstuk werd in 1781 eerst door de censuur toegelaten, maar uiteindelijk door Lodewijk XVI verboden, nadat hij zelf het stuk had gelezen. Hij beschouwde het (terecht) als een bedreiging van de bestaande orde die nog gebaseerd was op de feodale klassenverhoudingen van het Ancien Régime. Figaro's agressieve monoloog uit de vijfde act bevat heel wat radicale ideeën. Wie heeft ooit de Nozze bekeken als een subversief werk?

"Parce que vous êtes un grand Seigneur, vous vous croyez un grand génie!... Noblesse, fortune, un rang, des places: tout cela rend si fier! Qu'avez-vous fait pour tant de biens! Vous vous êtes donné la peine de naître, et rien de plus..."

"Denk je werkelijk, omdat je van adel bent, dat je een groot genie bent! Adel, geld, dat maakt jullie zo fier. Wat heb je gedaan om dit te bereiken? Je hebt de moeite gedaan om geboren te worden, dat is alles!"

De graaf heeft weliswaar afgezien van zijn absolute heerschappij over zijn onderdanen, zijn droit du seigneur, het daarbijhorende jus primae noctis, waarbij de heer het recht had zijn vrouwelijke onderdanen te ontmaagden, maar probeert die op een oneerlijke manier te herstellen.
Napoleon beschreef het werk later als “revolutie in actie”. Het feit dat het werd verboden, droeg - hoe kan het anders? - zeker bij tot zijn populariteit. Louis XVI had het werk gelezen en tweemaal een opvoeringverbod uitgevaardigd, in 1781 en 1782. In 1782 riep de koning zelfs uit: “Dit is afschuwelijk, het mag nooit worden gespeeld.” Het werd uiteindelijk toch gespeeld in 1784, in de Comédie Française.
Beaumarchais was een intelligente man zonder morele principes, altijd op zoek naar avontuur, ook met de vrouwen. Hij is dus ergens te vergelijken met Mozarts Don Giovanni. Een louche figuur die zijn adellijke titel had gekocht: Pierre Augustin Caron de Beaumarchais.
Hij stichtte in 1777 de Société des auteurs et compositeurs dramatiques, en ijverde gedurende de Franse Revolutie voor de erkenning van de auteursrechten.
In 1790 sloot hij zich bij de Revolutie aan. Hij werd lid van de Commune de Paris. Hij werd tijdens de Terreur als een contrarevolutionair beschouwd, gevangengezet, maar kon uiteindelijk het schavot ontlopen. Hij verhuisde naar Hamburg en keerde pas in 1796 naar Frankrijk terug, waar hij in 1799 stierf.

Tweede Act: Lorenzo Da Ponte

Emanuele Conegliano werd in 1749 nabij Venetië geboren uit joodse ouders. In 1763 werd hij gedoopt in de katholieke kerk en veranderde zijn naam in Da Ponte; naar de bisschop die de familie had bekeerd. Da Ponte werd tot priester gewijd en werkte zich in Venetië op tot docent in de literatuur en de retoriek. Hij leerde in Venetië de vrouw en het gokspel kennen. Hij werd in 1776 vanwege zijn radicale ideeën uit Venetië verbannen. Hij vluchtte naar Gorizia, dat onder Oostenrijkse bezetting stond. Vandaar trok hij naar Wenen.
In 1781 begon in Wenen de vruchtbaarste periode van onze onrustige dichter. In Wenen was het theater een belangrijke instelling. De Italiaanse opera stond in het centrum van de belangstelling. De keizer, Jozef II, zelf een voortreffelijk musicus, hield er zich persoonlijk mee bezig. Toen de 32-jarige Da Ponte in 1781 in Wenen aankwam, waren Mozart en Salieri respectievelijk 25 en 31 jaar. Drie ambitieuze mannen die het in Wenen wilden maken.
Tussen 1784 en 1790 schreef Da Ponte voor Salieri Il ricco di un giorno en Axur re di Ormus, voor padre Martín y Soler Il burbero di buon cuore (naar Goldoni) en Una cosa rara (naar Calderón de la Barca). Voor Mozart schreef hij de 3 beroemde opera’s.
Ondertussen werd Europa door elkaar geschud door de revolutionaire gebeurtenissen van 1789. Jozef II stierf in 1790 en de troonopvolger, Leopold II, had niet dezelfde interesse voor muziek als zijn voorganger. Da Ponte verliet Wenen, ging naar Trieste, waar hij Anna Celestina Grahl leerde kennen, met wie hij trouwde en naar Parijs trok. Zijn vriend Casanova raadde hem aan op naar Londen te verhuizen. Daar werkte hij als leraar Italiaans, als boekverkoper en als librettoschrijver, totdat hij in 1804 failliet ging.
In 1805 emigreerde hij naar de Verenigde Staten van Amerika. De rest van zijn leven besteedde hij aan het geven van lessen in de Italiaanse taal- en letterkunde en cultuur. In 1830 werd hij tot hoogleraar in de Italiaanse taal en cultuur aan het Columbia College benoemd. Hij had zich als doel gesteld de Italiaanse cultuur, taal en opera te verspreiden. In 1826 slaagde hij erin om de Don Giovanni te doen opvoeren.
In zijn niet altijd even geloofwaardige Memorie (Memoires) (1823-1830) beschreef Da Ponte de lotgevallen van zijn veelbewogen leven en loopbaan. Dit in navolging van de autobiografie van Casanova.
Een schitterende figuur dus, voortdurend op reis en vlucht, te vergelijken met Cagliostro en Casanova, die andere beroemde Venetiaanse libertijn en schrijver uit de 18e eeuw. Gozzi, Metastasio, Foscolo, Casanova, Mozart, Salieri waren allen kennissen van Da Ponte.

Derde act: Mozart

Da Ponte begreep hoe moeilijk en delicaat de samenwerking tussen een librettist en componist wel kan zijn. Het libretto moet een soort geraamte zijn, dat zijn artistieke invulling en psychologische waarheid vanuit de muziek krijgt. Goede librettisten zoals een Da Ponte voor Mozart of een Hoffmansthal voor Strauss, schreven libretti die aan de verzuchtingen en verwachtingen van de componist beantwoordden.
Er is een groot verschil tussen de libretti van Da Ponte voor Mozart en die voor Salieri en Soler.
Als Mozart er niet was geweest, zou Da Ponte een minder bekende naam zijn in de literatuurboeken, te vergelijken met die van de componisten Salieri en Soler.
Da Ponte van zijn kant legde graag de nadruk op het feit dat hij het was die Mozart roem gehad bezorgd met zijn 3 opera’s. In ieder geval begreep Da Ponte dat hij met Mozart een heel grote componist voor zich had.
De twee hadden elkaar leren kennen in het huis van de mecenas van Mozart, baron Wetzlar von Plankenstern. Sinds Die Entführung aus dem Serail uit 1782 had Mozart geen opera meer geschreven. Hoogstwaarschijnlijk was het Mozart die Da Ponte een voorstel deed om het werk van Beaumarchais op muziek te zetten. Da Ponte stond in die tijd in de gunst van de keizer, hij was een semi-officiële hofschrijver. Waarschijnlijk aarzelde Mozart wat: de Nozze was geen opdracht en dus een gewaagde financiële onderneming. Maar Da Ponte kon hem overhalen. Ook omdat Wetzlar bereid was Mozart te betalen als het niet tot een uitvoering mocht komen.
De keizer stond weigerachtig tegenover het project, ook hij kende het intussen beruchte werk van Beaumarchais. Maar Da Ponte was een groot diplomaat, Mozart was dat niet. Hij verkreeg van de keizer de opheffing van het verbod tegen de Figaro-thematiek. Hij beloofde de keizer dat hij een ingekorte versie zou maken (een estratto) en al het aanstootgevende zou weglaten. Daarbij sloeg Da Ponte twee vliegen in één slag: hij reduceerde het aantal personages van 16 naar 11, wat nog altijd veel is voor een opera buffa. (Normaal zijn er 7 of 8.) Wat aan de keizer werd gepresenteerd als een tegemoetkoming aan de censuur was in feite een artistieke noodzaak. Het libretto werd geen estratto, maar een gecomprimeerde nieuwe versie. Toch besefte Da Ponte dat hij (en dus ook Mozart) met iets nieuws afkwamen, want er zijn verschillende draden in het werk en de muzikale stukken zijn in verscheidenheid gecomponeerd, om de uiteenlopende hartstochten die erin voorkomen, met verschillende kleuren uit te drukken. Ik parafraseer hier Da Ponte, die de muziek en psychologische diepgang Mozart blijkbaar goed kende.
Toch wordt het werk nooit chaotisch, onoverzichtelijk, onbegrijpelijk. Zou er dan toch wat van de klassieke rust en regelmaat aanwezig zijn?
Er zijn twee duidelijke lijnen in het werk. De eerste is de vaste wil van Susanna en Figaro om hun bruiloft te vieren. Ten tweede is er de drang, de wens van de graaf om Susanna in bed te krijgen. De graaf zal mislukken, op het einde verzoent hij zich met vrouw: “ik zal het nooit meer doen”. Zo worden de maatschappelijke regels weer in eer hersteld. De opera komt weer in de sfeer van de moraal terecht, wat bij de immorele Don Giovanni niet mogelijk was. De opera ontwikkelt zich rond deze tegenstelling en het conflict van beide motieven. De andere figuren zijn randpersonages die niet echt noodzakelijk zijn voor het verhaal: Marcellina en Bartolo willen oude rekeningen vereffenen, Basilio, de intrigant, is een typische figuur uit de opera buffa. Ook is er Cherubino, die overal opduikt waar het niet past. Maar als je Cherubino zou weglaten uit de opera, zou het werk veel van zijn frisheid, zijn luchtigheid verliezen. Zou Le Nozze dan toch een rococo-kunstwerk zijn?

 Keer terug naar de homepage Italiaanse kunst

Ga naar de homepage Umbria/Toscana

 Ga naar verhuur vakantiewoningen in UmbriŽ

 Ga naar verhuur vakantiewoningen in Toscane

Uw portaalsite over Italië: www.casa-in-italia.com (informatie en verhuur)