Botticelli

Eerste periode: de lentegeest van het Quattrocento (tot 1490)

Botticelli werd in 1444 of 1445 in Firenze geboren. Al in zijn jeugd had hij interessante contacten, bijvoorbeeld met de familie Vespucci. De Vespucci waren goede vrienden van de Medici, die in Florence aan de macht waren.
Op ongeveer 18-jarige leeftijd ging hij in de leer bij de schilder Fra Filippo Lippi, redelijk laat want in die tijd was de gemiddelde leeftijd van een beginnende leerling 10-12jaar.

De kunst van Fra Filippo Lippi kenmerkt zich door de verworvenheden van de renaissance, de herontdekte lichamelijkheid en centraalperspectivische opbouw van de ruimte. Filippo Lippi had de lessen van Masaccio zeer goed begrepen. Botticelli was ongeveer vijf jaar bij Lippi in Prato, een stad op twintig km van Firenze, in de leer.
Zoals elke andere leerling leerde hij eerst de verf samen te stellen en klaarmaken; de blokken pigment moesten worden gemalen en met de juiste hoeveelheid bindmiddel vermengd. Tevens kreeg hij onderricht in de verschillende technieken van fresco-en paneelschilderen. Met het maken van tekeningen bereidde hij zich voor op het schilderen.
Pas daarna mocht hij de eerste zelfstandige schilderwerkzaamheden uitvoeren: het schilderen van de hemel, het versieren van de gewaden en het aanbrengen van bladgoud. Ten slotte werkte hij aan het landschap en de bijfiguren.
Een werk dat nog de invloed vertoont van Lippi is de Fortitudo.

 

Een van de vroegste zelfstandige werken van de jonge schilder is Aanbidding door de drie Koningen. Botticelli zelf is de figuur die je rechts aankijkt. Op het schilderij staan tevens een aantal leden van de Medici. De Aanbidding der wijzen is een thema dat graag behandeld werd in het Florentijnse Quattrocento, omdat de Wijzen verwijzen naar de neoplatonische filosofen, zoals Marsilio Ficino, die streefden naar een synthese tussen de antieke filosofie van Plato en het christelijke denken.


Na de dood van Lippi volgt Botticelli meer de wegen van Verrocchio en Pollaiuolo, die aan het hoofd stonden van twee andere belangrijke Florentijnse ateliers.
Als kind van zijn tijd was Botticelli opgevoed in humanistische denkbeelden, hij voelde zich dan ook aangetrokken tot de mythologische voorstellingen uit de oudheid. Daarnaast schilderde hij ook religieuze voorstellingen.
Zijn faam werd weldra zo groot dat hij in 1481-1482 door de paus werd uitgenodigd om samen met Perugino, Ghirlandajo en Cosimo Rosselli, de bekendste schilders van dat ogenblik, fresco's te schilderen op de wanden van de Sixtijnse Kapel.
Uit dezelfde periode stammen ook zijn beroemdste werken, de Primavera uit c. 1478 en de Geboorte van Venus uit c. 1483. Ze werden waarschijnlijk voor Lorenzo di Pierfrancesco de' Medici geschilderd.

Dat Botticelli op meer één manier kon werken, is duidelijk uit het fresco Sint Augustinus, geschilderd in concurrentie met Ghirlandajo's Sint Hieronymus, beide in de Ognissanti te Firenze. Hier is zijn stijl monumentaler, met een grotere aandacht voor het detail.
Zijn atelier was uiterst succesvol: het produceerde heel wat schilderijen met het thema Madonna en Kind. De bekendste daarvan is de Madonna van het Magnificat. Botticelli creëerde een gemakkelijk te herkennen vrouwelijk type, dat hij zowel op Maria als op Venus toepaste.

La primavera (Uffizi, Firenze).

Voor de Medici schilderde Botticelli twee van zijn beroemdste werken: De Geboorte van Venus en La Primavera, De Lente.

Het iconografisch programma van de Lente is tamelijk ingewikkeld. De aardnimf Chloris probeert rechts aan Zephyrus te ontsnappen. Door zijn adem wordt zij getransformeerd in Flora, de godin van de lente die bloemen uitstrooit. Uit Chloris’ mond komen bloemen, die zich rond Flora draaien. Links van Venus staat de ineengestrengelde groep van de drie Gratiën, dansend op de bloemige weide. De middelste is weinig opgesmukt, heeft het haar samengebonden; ze heeft een melancholische blik. De Gratie links bezit meer energie: zij zet een stap vooruit en heeft de haren los; ze draagt een groot juweel. De derde heeft een trotse indruk en heeft een klein juweel en parels. Het gaat hier om een allegorie van de trias van Castitas (kuisheid), Voluptas (wellust) en Pulchritudo (schoonheid). De drie Gratiën hangen, volgens de antieke literaire traditie, aan elkaar. Het gebaar van de twee uiterste Gratiën vormt een kroon boven het hoofd van de Castitas. De dans is dus een initiatie van de Castitas, die een neofiet is, zij wordt in de liefde ingewijd door Pulchritudo en Voluptas. Cupido houdt trouwens zijn pijl op haar gericht. Zij ondergaat de invloed van de Gratiën waaraan zij weerstand biedt. Aan de kant van de Voluptas valt haar gewaad af; aan de kant van de Pulchritudo is haar haar los. Zij geeft ook haar eigen trekken aan de dans: deze is kalm, melodieus en ingehouden. Dezelfde dualiteit vindt men in Venus: deze is niet alleen de godin van de liefde, maar ook van de harmonie, van de maat. Dit wordt ook duidelijk gemaakt door het gebaar van haar hand.
De Castitas draait zich af van de wereld en kijkt naar Hermes, de hogere orde. Hermes, herkenbaar aan zijn herautstaf en gevleugelde schoenen. Hermes wordt echter ook psychopompos genoemd, hij die de zielen naar de onderwereld brengt. Op zijn kleed vindt men trouwens omgekeerde vlammen, symbool voor de dood. Hij heeft nochtans weinig met de dood te maken: hij is zeker geen Pietje de Dood.
Hij verdrijft met zijn staf de wolken. Dit moet, zoals de rest van het schilderij, filosofisch geïnterpreteerd worden (neoplatonisme). Hij verdrijft de wolken, de nevels, die de mens beletten een zicht te krijgen op de hogere, geestelijke werkelijkheid. De beweging, die door de dans is begonnen, de initiatie, wordt door Hermes voortgezet. De Castitas kijkt in de richting van Hermes, zij is dus een allegorie van de transcendente liefde, van het opstijgen, het verlangen naar de hogere werkelijkheid. Dit is de betekenis van de ‘platonische’ liefde. Plato zei: "als de ziel de geestelijke werkelijkheid beschouwd heeft, daalt zij opnieuw af om de waarheid, de kennis aan de wereld mee te delen". Dit vinden we in de figuur van Zephyrus.
Daarom zij Hermes en Zephyrus symmetrische figuren. Van de wereld weggaan en naar de wereld terugkeren zijn de twee krachten van de ‘platonische’ liefde waarvan Venus de volbrengster is. Het gaat om 2 fazen van een voortdurend terugkerend proces.
Het doek is dus een illustratie van de platonische trias: emanatio (Zephyrus, Chloris, Flora), conversio (Gratiën en Venus) en de remeatio (Mercurius).
De figuren in lichte tinten steken af tegen een donkere achtergrond van bomen. Het tafereel bezit geen echte dieptewerking; de compositie is zeer symmetrisch opgebouwd; het geheel is gobelin-achtig en bezit een decoratief effect.
Het werk is het product van een lyrische geest en treft vooral door de ritmische lijn en de melodieuze gratie. Poëzie in de schilderkunst!
Zijn werk vertoont in zijn eerste periode een sterke invloed van de oudheid, die hij op een persoonlijke manier interpreteert.
In zijn allegorische en mythologische onderwerpen geven de gracieuze, in sluiers gehulde vrouwenfiguren, op een achtergrond van betoverende landschappen, een zeer individuele interpretatie van de antieke mythologie.

La nascita di Venere (De geboorte van Venus)

De Geboorte van Venus werd het in opdracht van Lorenzo di Piero Francesco de' Medici gemaakt, waarschijnlijk c. 1483.
Volgens de klassieke mythologie werd Venus geboren uit het schuim van de zee. Dat schuim was ontstaan rond de geslachtsdelen van de god der hemelen Oeranos, die zijn zoon Chronos had afgesneden en in zee geworpen om zich op die manier te wreken voor de wreedheid van zijn vader.
Venus is opgedoken uit de zee, op een schelp die naar de kust wordt gedreven door de adem van vliegende windgoden, te midden van een rozenhemel. Zij wordt opgewacht door een van de Horae die een purperen mantel klaarhoudt.
Het werk is symmetrisch: Venus staat juist in het midden. Streven naar is een kenmerk van de Renaissance. De gracieuze beweging en de melodieuze lijn van Botticelli's compositie roepen echter ook de gotische traditie op uit de veertiende eeuw: daar vinden we ook het liefelijk wiegen van het lichaam en de verrukkelijke draperingen.
Venus lijkt op een antiek beeld. De harde modellering en het witte inkarnaat doen denken aan marmer, terwijl haar houding (contrapposto) is afgeleid van de antieke Venus Pudica, de beschaamde Venus. Ze is zich bewust van haar naaktheid, dat kun je uit haar houding afleiden. Met haar armen en haren probeert ze haar naaktheid te verbergen.
Botticelli benadrukt de contouren met een zwarte lijn, zodat Venus scherp tegen het beeldvlak afsteekt. Ze krijgt zo een eigenaardige koelheid en helderheid. In de Florentijnse kunst van de Renaissance speelt de lijn een belangrijke rol: de tekening is vaak belangrijker dan de kleur.
Botticelli's Venus is zo schoon, dat we de onnatuurlijke lengte van haar hals niet opmerken, noch de steile schuinte van haar schouders en de zonderlinge wijze, waarop haar linkerarm aan het lichaam is gehecht. Haar positie op de schelp is niet echt confortabel te noemen.


Het gezicht van Venus is een typisch Botticelligezicht. Vergelijk Venus' gelaatsrekken met het gezicht van Maria op het schilderij Madonna van het Magnificat. De gezichten zijn bijna identiek. Dit vrouwentype belichaamt Botticelli's schoonheidsideaal. We zijn hier ver af van het brutale realisme van een Caravaggio.
De kunstenaars en denkers uit het Florentijnse Quattrocento waren ervan overtuigd dat de oude "heidense" filosofie (het platonisme) en het christendom elkaar niet tegenspraken, maar aanvulden. Dezelfde vrouw fungeert dus als Maria en Venus.
Ook de melancholische uitdrukking op Venus' gezicht is kenmerkend is voor Botticelli.
Uit de hemel vallen rozen. Het ontstaan van deze bloem valt volgens de mythologie samen met de geboorte van Venus.
Het schilderij behandelt in feite niet de geboorte van de godin van de liefde, zoals de titel suggereert, maar haar landing op het eiland Cythera, waar ze na haar geboorte aan land zou zijn gegaan. Dit wordt beschreven door de Griekse dichter Homerus in zijn hymne aan Venus, die Botticelli gebruikte als literaire bron van zijn schilderij.
Links vliegt de windgod Zephyr, in nauwe omstrengeling met Aurora. Ze blazen de godin aan land.
Bemerk de golvende drapering van het doek dat hen bedekt. Ook alle haren zijn golvend.
Aan de rechtse kant wordt Venus ontvangen door een van de Horae, de godinnen van de jaargetijden, die een kleed voor haar uitspreidt. De bloemen die de gewaden sieren, identificeren deze Hora als godin van het voorjaar. Het voorjaar is het jaargetijde van Venus: jaargetijde van de liefde.

Het werk is een mooie illustratie van het begrip renaissance. Voor de intellectuelen uit de 15e en 16e eeuw, die ernaar streefden de glorie en grootheid van het antieke Rome te evenaren, waren de Griekse en Latijnse mythen meer dan mooie verhaaltjes. Zij waren overtuigd van de superieure wijsheid van de Oudheid dat zij meenden dat in de mythen een diepe en mysterieuze waarheid verborgen lag.
De opdrachtgever, die het werk bestelde voor zijn buitenverblijf, behoorde tot de rijke en machtige Medicifamilie. De geleerde vrienden van Botticelli zullen de schilder zeker uitgelegd hebben wat de diepere inhoud van de mythe van Venus'geboorte was. Haar geboorte was een symbool van het mysterie waarmee de goddelijke boodschap van schoonheid in de wereld kwam. Plato is niet ver weg!

De religieuze taferelen uit de eerste periode zijn als het ware aristocratische plechtigheden, zoals bijvoorbeeld de Aanbidding der Wijzen uit de Uffizi, waarop leden van de Medici-familie uitgebeeld worden. Bekend zijn eveneens zijn de vele schilderijen met een Madonna met Kind.
Of het nu gaat om een profaan of religieus tafereel, hetzelfde vrouwentype komt altijd terug. Over al zijn werken hangt een poëtische, lyrische atmosfeer.

Tweede periode: diepe religieuze bewogenheid.

Op het einde van zijn leven komt hij onder de indruk van de religieuze bezieling die Savonarola uitstraalde en ‘bekeert’ hij zich tot een diepe religiositeit. Savonarola was een monnik die in het materialistische, op uiterlijk vertoon beluste Firenze door zijn adembenemende preken het radicale christendom er bij de Florentijnen inhamerde, met zo'n kracht, dat zij massaal het boetekleed aantrokken en de schitterende voortbrengselen van de menselijke kunst op de brandstapel wierpen. (Niet alleen Botticelli maar ook Michelangelo schijnt diep onder de invloed van de bewogen monnik te hebben gestaan.) De dominicaan Savonarola (1452-1498) predikte op vaak fanatieke wijze het herstel van het godsdienstige leven en tegen de misbruiken op kerkelijk en staatkundig gebied. Hij vond de dood op de brandstapel.

In elk geval ademen zijn late religieuze werken een sfeer van diepe devotie en kinderlijke godsvrucht. Een voorbeeld hiervan ziet men in de wanhoop op de gezichten van de Bewening van Christus (ca.1495, München, Alte Pinakothek). Het laatste doet aan de noordelijke godsdienstige bewogenheid van een Rogier van der Weyden denken. Hier spreekt intens medeleven met het lijden van de vermoorde Christus. De Mystieke Nativiteit uit 1500 is bewust archaïsch, met verschillen in schaal (Maria en Jezus zijn veel groter dan de anderen). Het draagt ook een cryptische inscriptie die het heeft over het einde der tijden.

Wanneer de Hoogrenaissance aanbreekt en het centrum van de kunst zich naar Rome verlegt, c. 1500, was zijn werk verouderd. Botticelli stierf in vergetelheid en werd pas in de 19e eeuw herontdekt door de Preraffaellieten.
Zijn bekendste leerling was, vreemd genoeg, de zoon van zijn leermeester, Filippino Lippi.

Botticelli is een van de boeiendste schilders van de renaissance. Ik heb het altijd wat moeilijk gehad met zijn "bekering" naar Savonarola en zijn piagnoni. Maar na lezing van het boek van Sarah Dunant, De geboorte van Venus, een roman die over deze periode gaat, werd mij veel duidelijk.

Klik hier voor een pagina met thumbnails van Botticelli

 

 Keer terug naar de homepage Italiaanse kunst

Ga naar de homepage Umbria/Toscana

 Ga naar verhuur vakantiewoningen in UmbriŽ

 Ga naar verhuur vakantiewoningen in Toscane

Uw portaalsite over Italië: www.casa-in-italia.com (informatie en verhuur)